Zoals we ook in wiskunde b gedaan hebben, spreken we het volgende af.
Als de hoekpunten van een driehoek
,
en
heten,
noemen we de (grootte van de) hoeken achtereenvolgens
,
en
.
De (lengte van de) zijden tegenover
die hoekpunten noemen we achtereenvolgens
,
en
.
We weten:
een gestrekte hoek is ;
een rechte hoek is de helft daarvan, dus ;
de basishoeken van een gelijkbenige driehoek zijn gelijk.
Zoals al in het voorwoord gezegd, proberen we van vanuit nader te bepalen uitgangspunten, door redeneren een bouwwerk van stellingen te creëren.
Deze uitgangspunten noemen we axioma's.
We willen in dit hoofdstuk wat preciezer zijn. We noteren daarom de lengte van lijnstuk met
.
Overstaande hoeken
Twee lijnen snijden elkaar. Ze maken bij het snijpunt vier
hoeken.
Beredeneer met het uitgangspunt dat een gestrekte hoek is, de overstaande hoeken (de hoeken die tegenover elkaar liggen, bijvoorbeeld de twee gekleurde hoeken) even groot zijn.
Uit de onderbouw weet je ook dat de som van de hoeken
van een driehoek is.
In de wiskundewereld is tot in de negentiende eeuw aan de juistheid
hiervan getwijfeld. Zo heeft de grote geleerde C. F. Gauss zeer nauwkeurig
de hoeken gemeten van de driehoek tussen drie toppen in het
Harzgebergte (Duitsland); hij vond geen significante afwijking van .
Gauss en anderen ontdekten later dat er ook andere soorten meetkunden
bestaan (bijvoorbeeld op de bol) waarbij de hoekensom van
een driehoek geen is.
Veronderstel dat we weten dat de hoekensom van elke driehoek hetzelfde aantal graden is - noem dat - maar dat we (nog) niet weten dat .
Beredeneer met behulp van nevenstaand plaatje dat moet gelden: .
In deze opgave zie je nog een andere manier om ervan overtuigd te raken dat
de hoekensom in een driehoek is.
We trekken een lijn door de middens
en van twee
zijden van driehoek . We spiegelen het bovenste
stuk in deze lijn; het spiegelbeeld
van komt dan
op te liggen.
Waarom geldt: en ?
Leg uit dat de drie hoeken met hoekpunt zijn: , en en dat dus .
De hoekensom van een driehoek is .
Gelijkzijdige driehoek
Van een driehoek zijn de zijden even lang. We noemen zo'n driehoek
gelijkzijdig.
Beredeneer dat de hoeken van de driehoek zijn.
Buitenhoek
In het plaatje hiernaast is de zogenaamde buitenhoek bij
hoekpunt aangegeven.
Beredeneer dat een buitenhoek van een driehoek gelijk is aan de som van de twee niet-aanliggende binnenhoeken (dat zijn de hoeken met een stip).
Een buitenhoek van een driehoek is gelijk aan de som van de twee niet-aanliggende binnenhoeken.
Definitie
Twee lijnen zijn evenwijdig als ze geen gemeenschappelijk punt hebben.
Z-hoeken
Hiernaast worden twee lijnen gesneden door een derde
lijn. In het plaatje zijn twee hoeken aangegeven: en .
Gegeven is dat .
Beredeneer dat hieruit volgt dat de twee lijnen evenwijdig zijn.
Het omgekeerde geldt ook. Als de lijnen evenwijdig zijn, dan zijn de hoeken en gelijk.
F-hoeken
Hiernaast worden twee lijnen gesneden door een derde
lijn. In het plaatje zijn twee hoeken aangegeven: en .
Gegeven is dat .
Beredeneer dat hieruit volgt dat de twee lijnen evenwijdig zijn.
Gebruik de opgaven 1 en 6.
Het omgekeerde geldt ook: als de twee lijnen evenwijdig zijn, dan zijn de hoeken en gelijk.
Als twee evenwijdige lijnen gesneden worden door
een derde lijn, dan zijn de F-hoeken en Z-hoeken
gelijk.
En omgekeerd:
als twee lijnen in twee verschillende punten
gesneden worden door een derde lijn, waarbij een
paar gelijke F-hoeken of Z-hoeken optreedt, dan zijn
die twee lijnen evenwijdig .
Hoekensom van een vierhoek
Beredeneer - uitgaande van de hoekensom van een driehoek - dat de hoekensom van een vierhoek is.
Hoe groot is de hoekensom van een -hoek? ()
Van een regelmatige -hoek zijn de hoeken allemaal even groot.
Hoe groot is elk van de hoeken?
Twee lijnen snijden elkaar. Ze maken in het snijpunt vier hoeken. Van elk van die hoeken tekenen we de bissectrice (dat is de lijn die de hoek in twee gelijke delen verdeelt). Die zijn in de figuur gestippeld.
Toon aan dat de bissectrices van de stompe hoeken in elkaars verlengde liggen (dus eigenlijk één lijn vormen). (Dat geldt ook voor de bissectrices van de twee scherpe hoeken.)
Toon aan dat deze twee lijnen loodrecht op elkaar staan.
Terugblik
We hebben enkele uitgangspunten gekozen. Van daaruit
hebben we nieuwe feiten gevonden. In sommige redeneringen
maakten we gebruik van feiten die we al eerder
beredeneerd hadden. De feiten zijn niet zo schokkend:
eigenlijk ligt de waarheid ervan erg voor de hand. Op
deze manier maken we een bouwwerk: straks kunnen we
ook feiten beredeneren die helemaal niet zo vanzelfsprekend
zijn.
De kracht van het bouwwerk is dat je feiten die eenmaal
bewezen zijn (en dus in het bouwwerk zijn opgenomen)
nooit meer opnieuw hoeft te bewijzen: die kan je in het
vervolg direct gebruiken. Belangrijke bouwstenen die we
tot nu toe hebben, zijn:
de stelling van Pythagoras (zie 4vb deel 1, hoofdstuk 2 Meetkunde en algebra);
de hoekensom van een driehoek (en vierhoek);
Z- en F-hoeken;
overstaande hoeken;
de stelling van de buitenhoek.
In het vervolg zul je je redeneringen (bewijzen) moeten baseren op deze uitgangspunten en op zaken die je daaruit al eerder hebt afgeleid.
Definitie
Een lijn is raaklijn aan een cirkel als hij precies één
punt met de cirkel gemeenschappelijk heeft.
Een cirkel met middelpunt wordt door een lijn gesneden in de punten en .
Beredeneer dat de stralen en niet loodrecht op de lijn staan.
Een lijn gaat door punt van een cirkel met middelpunt . De lijn staat loodrecht op de straal .
Bewijs dat de lijn raaklijn is aan de cirkel
Een lijn is raaklijn aan een cirkel met middelpunt . Het raakpunt is .
Bewijs dat de lijn loodrecht staat op de straal .
Een lijn raakt een cirkel met middelpunt in dan en alleen dan als lijn loodrecht op lijn staat.
Driehoek is rechthoekig in
. Lijnstuk is het
hoogtelijnstuk vanuit van driehoek .
Zodoende zijn er drie rechthoekige driehoeken in de figuur te zien.
Beredeneer dat deze drie driehoeken gelijke hoeken hebben. (Dus ze zijn gelijkvormig.)
We herhalen uit hoofdstuk 15 Gelijkvormigheid van 2 vwo.
Definitie
Twee driehoeken zijn gelijkvormig als de een een uitvergroting van de ander is.
Twee driehoeken zijn gelijkvormig als ze dezelfde hoeken hebben.
De lijnen en zijn evenwijdig. Het punt ligt niet op of op . Zie voor de overige gegevens de figuur.
Bewijs dat de driehoeken en gelijkvormig zijn.
ligt op de lijn AS en ligt op de lijn CS, zó dat de hoeken en recht zijn.
Bewijs dat de driehoeken en gelijkvormig zijn.
Zijn twee vierhoeken met gelijke hoeken gelijkvormig?